Dijk rondom Oostelijk Flevoland 70 jaar gesloten, als onderdeel van de Zuiderzeewerken
Deze maand is het 70 jaar geleden dat de dijkring rond Oostelijk Flevoland werd gesloten. Op 13 september 1956 werd de dijkring rondom Oostelijk Flevoland gesloten, waarmee een belangrijke stap werd gezet in de ontwikkeling van Flevoland. Het nieuwe land bood ruimte voor wonen, werken en recreëren.
De gemalen en dijken: de basis voor de polder toen en nu
Het laatste dijkgat werd in aanwezigheid van koningin Juliana gedicht, waarna de drooglegging van het gebied kon beginnen. Direct na de sluiting van de dijkring begonnen gemaal Colijn en gemaal Lovink met het droogpompen van het gebied. Vanaf november hielp ook gemaal Wortman, in wat nu Lelystad is, mee. De afsluiting maakte deel uit van de Zuiderzeewerken, het grootschalige plan van ingenieur Cornelis Lely om delen van de voormalige Zuiderzee droog te leggen. Oostelijk Flevoland werd de derde grote droogmakerij, na de Wieringermeer en de Noordoostpolder. Na de dijksluiting werden de gemalen in gebruik genomen om het water uit de nieuwe polder weg te pompen. In juni 1957 werd Oostelijk Flevoland officieel droog verklaard.
Lessen uit de Noordoostpolder
De aanleg van Oostelijk Flevoland verschilde op een belangrijk punt van die van de Noordoostpolder (NOP). Bij de Noordoostpolder was gekozen voor een dijk die direct aansloot op het oude land van Overijssel, Friesland en Gelderland. Dat was goedkoper, maar had een onverwacht nadeel. Door het lage waterpeil in de nieuwe polder daalde ook het grondwaterpeil in de aangrenzende gebieden. Boeren op het oude land kregen te maken met verdroging van hun landbouwgronden en opbrengstverliezen. Het Rijk moest zelfs schadevergoedingen betalen aan getroffen grondeigenaren.
Om herhaling van die problemen te voorkomen, werd bij Oostelijk Flevoland gekozen voor een andere aanpak. Tussen de nieuwe polder en het oude land bleef een strook water bestaan: de randmeren. Het Veluwemeer, Drontermeer, Vossemeer en later ook andere randmeren vormden een buffer tussen de polder en de hogere gronden van de Veluwe. Daardoor bleef het grondwaterpeil aan de vaste wal beter op peil en werd grootschalige droogteschade voorkomen.
De randmeren bleken bovendien een bijkomend voordeel te hebben. Ze zorgden ervoor dat havens en recreatiegebieden aan de rand van de Veluwe hun directe verbinding met het water behielden. Plaatsen als Harderwijk, Elburg en Nunspeet bleven daardoor aan vaarwater liggen, terwijl ze anders tientallen kilometers van open water verwijderd zouden zijn geraakt.
Na het droogvallen van Oostelijk Flevoland in 1957 werden eerst de landbouwdorpen ontwikkeld. Swifterbant en Dronten kregen in 1962 hun eerste woningen, gevolgd door Biddinghuizen in 1963. De hoofdstad van de nieuwe polder, Lelystad, volgde enkele jaren later. Op 2 oktober 1967 betrokken de eerste bewoners hun woningen in de nieuwe stad.
En Zuidelijk Flevoland?
De afsluiting van Oostelijk Flevoland betekende niet het einde van de inpoldering. Volgens de plannen van de Zuiderzeewerken zou ook het gebied ten zuiden van de Knardijk worden drooggelegd. Oorspronkelijk was zelfs het idee om Oostelijk en Zuidelijk Flevoland als één grote polder aan te leggen, maar om financiële redenen werd gekozen voor uitvoering in twee fasen. De Knardijk vormde daarbij tijdelijk de scheiding tussen beide gebieden. De aanleg van Zuidelijk Flevoland volgde in de jaren zestig. De ringdijk werd gesloten in 1968 en daarna werd het gebied drooggemalen. Uiteindelijk ontstonden hier onder meer Almere en Zeewolde. Anders dan de eerdere polders werd Zuidelijk Flevoland niet uitsluitend ingericht voor landbouw. Er kwam veel meer ruimte voor natuur, recreatie en stedelijke ontwikkeling om de groei van de Randstad op te vangen.
