Terug naar hoofdinhoud

Fragment van de week: Min of meer een monster (Lily Frank)

Schrijfster Lily Frank
09 september 2026
Geschreven door Edwin Haan

Lelystad is een stad waar poëzie niet alleen leeft, maar ook wordt geschreven. Vanuit die traditie brengt Radio Lelystad wekelijks het Gedicht of het Fragment van de Week: een moment waarop woorden even de ruimte krijgen om te ademen. Het gedicht/fragment klinkt bovendien in het poëzieprogramma De Dinsdagavondsalon, waar taal en verbeelding elkaar ontmoeten.

Het fragment deze week is van Marijke F. Jansen (1986) Zij schrijft sprookjesachtige romantische fantasy voor jongeren en volwassenen, waarbij ze zich laat inspireren door sprookjes, klassiekers, mysteries en de realiteit. Haar boek 'Het Lot van de Muze' zat in 2024 in de septemberbox van So Many Pages en landde in de verschijningsweek bij 800 huishoudens op de mat. 'Min of meer een monster' verscheen in februari 2026 en is poëtischer, filosofischer en duisterder. Onder het pseudoniem Lily Frank schrijft Jansen hedendaagse feelgood voor volwassenen. 

 

Fragment:

Monsters waren me niet vreemd. In het dorp waar ik woonde werd er al zolang ik me kon herinneren gefluisterd over mythische wezens die zo af en toe werden gezien in het zoute meer dat er niet zo ver vandaan lag, verscholen in het woud. Sommige dorpelingen noemden het waterdraken, andere dachten dat er meerminnen in het meer zwommen, maar de meeste spraken gewoon over monsters, want alles wat afweek van het normale, moest een monster zijn.

Ik wist nog dat mijn fantasie op hol sloeg wanneer mijn ouders me als ukkie ’s zomers meenamen naar het smalle zandstrandje dat voor recreatieve doeleinden was aangelegd. Terwijl zij lachend kletsten op het picknickkleed, zat ik vlak naast de waterkant, mijn voeten begraven in de mengeling van zand en warme modder. Op schoot lag steevast een boek dat ik had meegesleept naar het bos en waaruit ik hardop voorlas aan de monsters in de hoop dat ik er eentje kon betrappen als hij naar me kwam luisteren. In mijn fantasie zag ik zwiepende staarten door het wateroppervlak breken terwijl ik vol spanning afwachtte of er een log dierenlijf aan vastzat of een sierlijke mensentorso. Uiteraard zag ik er tientallen. Maar uiteraard zag ik er nooit écht eentje.

Ooit had mijn vader eens verwonderd aan me gevraagd: ‘Waarom doe je dat hier altijd? Hardop lezen?’

‘Ik lees voor aan de monsters en de meerminnen,’ had ik hem geantwoord. ‘Dan kunnen ze beter slapen vanavond. Onder water hebben ze geen boeken, want dan wordt het papier nat.’

Rond mijn veertiende sloeg die opgewonden nieuwsgierigheid onder druk van mijn vrienden om in een reeks uitdagingen die meer gericht waren op het testen van dapperheid dan op het bewijzen van het bestaan van de wezens. Vooral toen mijn vriendengroep niet langer slechts uit meiden bestond. Regelmatig spraken we af bij het glinsterende water en kreeg één persoon een uitdaging om uit te voeren. Vijf keer keek ik stilletjes toe hoe iemand zijn angsten trotseerde onder luid gelach van de anderen. En toen was het mijn beurt.