Terug naar hoofdinhoud

Gedicht van de week: en de winnaars zijn...

Een bijzondere gedichtendinsdag.
07 oktober 2026
Geschreven door Theo van Rhijn

Lelystad is een stad waar poëzie niet alleen leeft, maar ook wordt geschreven. Vanuit die traditie brengt Radio Lelystad wekelijks het Gedicht van de Week: een moment waarop woorden even de ruimte krijgen om te ademen. Het gedicht klinkt bovendien in het poëzieprogramma De Dinsdagavondsalon, waar taal en verbeelding elkaar ontmoeten. Deze week een bijzondere aflevering.

“Gisteren vierden we het vijfjarig bestaan van ons woordkunstprogramma De Dinsdagavondsalon,” aldus mede-organisator Juul Baars.”Tijdens deze feestelijke jubileumavond maakten we ook de winnaars bekend van onze gedichtenwedstrijd. Omdat we niet één gedicht willen uitlichten, maar juist willen vieren hoeveel talent er in Lelystad en omstreken rondloopt, plaatsen we deze week geen gedicht van de week. In plaats daarvan delen we de vijf winnende gedichten op de website van Radio Lelystad, zodat iedereen kan meelezen, ontdekken en genieten.”


Eerste prijs: Dick van Welzen

Incantatie

voor één nacht, één adem

of voor de eeuwigheid

Neem mij niet, niet

in dit uur zonder getal,

niet bij het buigen van de bomen,

niet waar de grond warm blijft

van mijn voetstappen.


Mijn ogen zijn nog steeds open als spiegels

en spiegels stelen geen schaduwen.

Ik roep de namen van de levenden achterstevoren,

zodat jij, dood, mij niet hoort.


Ik ben de rivier vóór het vallen,

ik ben het bloed vóór de snede,

ik ben de gedachte vóór jij komt

en je handen naar mij uitstrekt.



Luister:

mijn tong draagt het zout

van alle vaders die hun kind

terugriepen uit de kaken van de nacht.

Ik spreek met hun stem,

hun adem rust in mijn borst.


Dood,

ik noem je geen vijand,

ik noem je geen meester.

Ik noem je helemaal niet.


Want wat niet genoemd wordt,

komt niet binnen.

Ik leg een vuur aan in mijn kamer,

ik schenk alle glazen vol.


Zie:

mijn lijf heeft geen deur vandaag,

mijn ziel is geen land om al te betreden.

Mijn lied is niet uitgezongen.

Daarom blijf ik.


Mijn hart – een trommel zonder einde.

Mijn botten – de stokken van mijn voorouders.

Mijn bloed – een rivier die nog geen zee heeft gezien.



Tweede prijs: Nienke van Turnhout

Niets meer

Soms verlang ik naar meer betekenis in alleen zijn

Soms verlang ik naar het zachte vergeten

waarop ik balanceer

Honderden versies van een zelf

die ik nooit geweest ben

Weet je nog? Alles dat was?

Nou, dat is dus niet meer


En jarenlang dacht ik

Liefde vertaald zich in tranen

En jarenlang proefde ik

Een hint van God in mijn adem


Maar als ik mezelf dan schrijven wil

Is er zoveel leegte

Dat het lijkt

Of ik mediteer

Derde prijs: Marc Rothheut

Mijn moeder die haar bloeiende herfstjaren

op het achterbalkon van haar flat slijt,

soest koel in de schaduw van de leeftijd

en aarzelt soms een tel in haar gebaren.


Onder de loden zon vult zij een kruis-

woordraadsel in, soms moeilijk juist te raden:

‘heimwee’ in elf letters naar een vol huis –

aparte hokjes in haar puzzelbladen.


De avond valt, ze laat de leeslamp schijnen.

Ze zoekt haar bril en belt met haar vriendin.

En sluit daarna het raam en de gordijnen.


Ze drinkt thee. Tegen beter weten in

vraagt ze zichzelf ten dans; het lome deinen.

Zonet dacht ze: mmm, lekker die rum erin.


Ereprijs: Cherona Langius

Wat de rivier vergat

De rivier kent mijn naam niet.

Toch draagt ze, zonder vragen, de schaduw mee

die ik gisteren verloor.

Aan de oever oefent het riet de taal van de wind.

Niemand vertaalt haar.

Toch begrijpt ieder blad wanneer het tijd is

om los te laten.


Ik heb geleerd dat stilte geen leegte is,

maar een kamer

waarin herinneringen hun schoenen uittrekken

en eindelijk durven te blijven.

Soms lijkt de wereld gemaakt van haast:

treinen,

agenda's,

lichten die op groen springen voordat iemand heeft gekeken wie er nog overstak.

Maar een merel op een verweerde paal onderbreekt de ochtend

alsof tijd ook gewoon kan wachten.


Misschien is leven niet het verzamelen

van dagen,

maar het langzaam doorzichtig worden,

tot zelfs het licht zonder moeite door je heen kan vallen,

en iemand,

jaren later,

in een onbekende rivier heel even denkt dat water

zich iets herinnerd


Ereprijs: Gilbert Keijzer

Stenen op hun hart

Op versleten sportschoenen

zochten ouders hun weg

tussen puin en kapotgeschoten

woningen en gebouwen

ze betraden een barak

waarin rijen omwikkelde lijken lagen

wachtend op geliefden gerechtigheid

voorgoed bij hen vandaan

iemand trok een voor een

voorzichtig hoofddoeken weg|

negenentwintig gezichten

door dood en geweld vervormd

grauw grijs ongewassen

de ouders schudden hun hoofden

langzaam negenentwintig keer


misschien lag onze zoon er toch

opperde de vader met gebroken stem

in verpletterende wanhoop

en hebben we hem niet herkend

vulde de moeder fluisterend aan