Gedicht van de week: en de winnaars zijn...
Lelystad is een stad waar poëzie niet alleen leeft, maar ook wordt geschreven. Vanuit die traditie brengt Radio Lelystad wekelijks het Gedicht van de Week: een moment waarop woorden even de ruimte krijgen om te ademen. Het gedicht klinkt bovendien in het poëzieprogramma De Dinsdagavondsalon, waar taal en verbeelding elkaar ontmoeten. Deze week een bijzondere aflevering.
“Gisteren vierden we het vijfjarig bestaan van ons woordkunstprogramma De Dinsdagavondsalon,” aldus mede-organisator Juul Baars.”Tijdens deze feestelijke jubileumavond maakten we ook de winnaars bekend van onze gedichtenwedstrijd. Omdat we niet één gedicht willen uitlichten, maar juist willen vieren hoeveel talent er in Lelystad en omstreken rondloopt, plaatsen we deze week geen gedicht van de week. In plaats daarvan delen we de vijf winnende gedichten op de website van Radio Lelystad, zodat iedereen kan meelezen, ontdekken en genieten.”
Eerste prijs: Dick van Welzen
Incantatie
voor één nacht, één adem
of voor de eeuwigheid
Neem mij niet, niet
in dit uur zonder getal,
niet bij het buigen van de bomen,
niet waar de grond warm blijft
van mijn voetstappen.
Mijn ogen zijn nog steeds open als spiegels
en spiegels stelen geen schaduwen.
Ik roep de namen van de levenden achterstevoren,
zodat jij, dood, mij niet hoort.
Ik ben de rivier vóór het vallen,
ik ben het bloed vóór de snede,
ik ben de gedachte vóór jij komt
en je handen naar mij uitstrekt.
Luister:
mijn tong draagt het zout
van alle vaders die hun kind
terugriepen uit de kaken van de nacht.
Ik spreek met hun stem,
hun adem rust in mijn borst.
Dood,
ik noem je geen vijand,
ik noem je geen meester.
Ik noem je helemaal niet.
Want wat niet genoemd wordt,
komt niet binnen.
Ik leg een vuur aan in mijn kamer,
ik schenk alle glazen vol.
Zie:
mijn lijf heeft geen deur vandaag,
mijn ziel is geen land om al te betreden.
Mijn lied is niet uitgezongen.
Daarom blijf ik.
Mijn hart – een trommel zonder einde.
Mijn botten – de stokken van mijn voorouders.
Mijn bloed – een rivier die nog geen zee heeft gezien.
Tweede prijs: Nienke van Turnhout
Niets meer
Soms verlang ik naar meer betekenis in alleen zijn
Soms verlang ik naar het zachte vergeten
waarop ik balanceer
Honderden versies van een zelf
die ik nooit geweest ben
Weet je nog? Alles dat was?
Nou, dat is dus niet meer
En jarenlang dacht ik
Liefde vertaald zich in tranen
En jarenlang proefde ik
Een hint van God in mijn adem
Maar als ik mezelf dan schrijven wil
Is er zoveel leegte
Dat het lijkt
Of ik mediteer
Derde prijs: Marc Rothheut
Mijn moeder die haar bloeiende herfstjaren
op het achterbalkon van haar flat slijt,
soest koel in de schaduw van de leeftijd
en aarzelt soms een tel in haar gebaren.
Onder de loden zon vult zij een kruis-
woordraadsel in, soms moeilijk juist te raden:
‘heimwee’ in elf letters naar een vol huis –
aparte hokjes in haar puzzelbladen.
De avond valt, ze laat de leeslamp schijnen.
Ze zoekt haar bril en belt met haar vriendin.
En sluit daarna het raam en de gordijnen.
Ze drinkt thee. Tegen beter weten in
vraagt ze zichzelf ten dans; het lome deinen.
Zonet dacht ze: mmm, lekker die rum erin.
Ereprijs: Cherona Langius
Wat de rivier vergat
De rivier kent mijn naam niet.
Toch draagt ze, zonder vragen, de schaduw mee
die ik gisteren verloor.
Aan de oever oefent het riet de taal van de wind.
Niemand vertaalt haar.
Toch begrijpt ieder blad wanneer het tijd is
om los te laten.
Ik heb geleerd dat stilte geen leegte is,
maar een kamer
waarin herinneringen hun schoenen uittrekken
en eindelijk durven te blijven.
Soms lijkt de wereld gemaakt van haast:
treinen,
agenda's,
lichten die op groen springen voordat iemand heeft gekeken wie er nog overstak.
Maar een merel op een verweerde paal onderbreekt de ochtend
alsof tijd ook gewoon kan wachten.
Misschien is leven niet het verzamelen
van dagen,
maar het langzaam doorzichtig worden,
tot zelfs het licht zonder moeite door je heen kan vallen,
en iemand,
jaren later,
in een onbekende rivier heel even denkt dat water
zich iets herinnerd
Ereprijs: Gilbert Keijzer
Stenen op hun hart
Op versleten sportschoenen
zochten ouders hun weg
tussen puin en kapotgeschoten
woningen en gebouwen
ze betraden een barak
waarin rijen omwikkelde lijken lagen
wachtend op geliefden gerechtigheid
voorgoed bij hen vandaan
iemand trok een voor een
voorzichtig hoofddoeken weg|
negenentwintig gezichten
door dood en geweld vervormd
grauw grijs ongewassen
de ouders schudden hun hoofden
langzaam negenentwintig keer
misschien lag onze zoon er toch
opperde de vader met gebroken stem
in verpletterende wanhoop
en hebben we hem niet herkend
vulde de moeder fluisterend aan
